055.
Bijbelstudie over de
GASTVRIJHEID - HACH’NASAT OR’CHIM
,yxrva tcnkh
Iedereen is zich er tegenwoordig van bewust, dat
Nederland inmiddels overbevolkt is. Bijna nergens in Europa wonen de mensen zo
dicht op elkaar als in dit kleine landje aan de Noordzee. Men zit praktisch op
elkaars lippen. Daarom is het haast onbegrijpelijk dat er juist hier zoveel eenzaamheid
en verwaarlozing heerst! Met name in de bejaardenzorg alsook in de pastorale
zorg vanuit de kerken wordt men dagelijks met dit verschijnsel geconfronteerd.
Maar hoe kan dat? In andere landen en culturen, met name in de derde wereld, is
het begrip eenzaamheid volstrekt onbekend! De voornaamste reden ligt mijns inziens
in de Nederlandse mentaliteit. Nederlanders zijn - uitzonderingen daargelaten -
over het algemeen individualisten en dus beslist geen “kuddedieren”. Nergens
hoort men zo vaak als hier uitspraken zoals: “dat maak ik zelf wel uit!”, “dat bepaal ik
zelf wel!” of “dat moet ik toch zelf
weten”. Men wil zich niets laten voorschrijven, óók niet door de dominee, de
sergeant of de chef en tegenwoordig zelfs niet eens meer door de ouders!
Maatschappelijk werksters adviseren ook voortdurend, dat je eerst aan jezelf moet denken en beslist niet over
je heen moet laten lopen! Maar het begint al met de opvoeding van de kinderen,
want men leert ze tegenwoordig van kleins af, dat ze voor zich zelf moeten
opkomen en zich niet moeten bemoeien met de problemen van klasgenootjes. Dat
moeten ze zelf maar opknappen, want jij moet immers aan je eigen toekomst denken. Zo groeien er hele generaties op van mensen,
die alleen maar met zichzelf bezig
zijn! Daarom is er in Nederland juist ook zoveel behoefte aan privacy. Ook de
reclames op de televisie en in de kranten spelen in op de ik-gerichte mentaliteit van de kijkers en lezers: ‘als ik maar alles zo goedkoop mogelijk
krijg’ - ‘als ik maar 2 keer per
jaar op vakantie kan’ - als ik maar
carrière kan maken’ - ‘als ik maar
zo jong en zo knap mogelijk eruitzie’ - als ik maar dit en ik maar
dat. Steeds maar weer dat ‘ik’! Ook
vanuit de occulte hoek wordt dit ik-gevoel
steeds weer gestimuleerd, want de kernboodschap van de New-Age-beweging is het
ontdekken en het ontplooien van het ‘ik’.
En juist dàt druist in tegen de boodschap van het Evangelie! Zelfzucht wordt door de Bijbel scherp veroordeeld
en zelfs gelijkgesteld met afgoderij, wat het in wezen inderdaad ook is.
Zelfzucht is ook de bron van hebzucht en gierigheid. Zo kunnen wij in yl>m Mish’lei [Spreuken] 21:26 lezen: “De begerigheid begeert de ganse dag, maar
de rechtvaardige geeft en houdt niet terug”. Als logisch gevolg van deze ik-gerichte maatschappij weten helaas
velen tegenwoordig niet meer wat delen is en wat het begrip gastvrijheid
inhoudt! Men denkt al bijzonder gastvrij te zijn als men iemand uitnodigt voor
een kopje koffie met een koekje, waarna de koekeblik meteen angstvallig weer
wordt opgeborgen in de kast, want je moet er niet aan denken dat de gast
eventueel een tweede koekje wenst te eten! Aan een warme maaltijd hoef je als
gast al helemaal niet te denken! Ook onder christenen kom je die mentaliteit
helaas tegen. Een uitnodiging om na de kerkdienst thuis op bezoek te komen en
de warme hap mee te eten is eerder een uitzondering dan de regel. Wel maakt men
heel graag gebruik van de gastvrijheid van de weinigen die het wél doen, en men
spreekt er vol lof over, maar brengt het zelf niet in praktijk! Zo komt de gastvrijheid
juist ook onder christenen vaak maar van één kant! Men zegt wel uit beleefdheid:
“Je komt het een keer terughalen”, of “de volgende keer komen jullie bij ons
eten”, maar in het praktijk komt er nooit wat van. Het blijft meestal bij die
woorden, want op een uitnodiging hoef je echt niet te wachten! Als het puntje
bij paaltje komt, heeft men het altijd druk! We lezen reeds in yl>m Mish’lei [Spreuken] 23:6 over
vrekkige mensen die je wel uitnodigen, maar het niet menen: “Laat je niet door
een gierigaard aan tafel nodigen, laat je niet verleiden door wat hij je voorzet.
Uit berekening zegt hij: `Eet toch! En drink nog wat.' Maar hij meent er niets
van!” (Groot Nieuws Bijbel). Het is
dus helaas heel vaak éénrichtingsverkeer. De Bijbel zegt ons echter, dat wij
als gelovigen zó niet met elkaar moeten en mogen omgaan! Daarom schrijft xyl>h
lva> Sha’ul haShaliach [de apostel Paulus] dan ook in zijn
brief aan de gelovigen te Rome: “Weest
blijde in de hoop, geduldig in de verdrukking, volhardend
in het gebed, bijdragend in de noden der heiligen, legt u toe op de gastvrijheid!” (,yymvr Romiyim [Romeinen] 12:12-13).
G’ds
straf voor ongastvrij gedrag
De gastvrijheid is een deugd, die niet alleen bij de
Joden, maar ook bij vele oude beschavingen en in de zogenaamde primitieve
gemeenschappen zoals bij rondzwervende stammen, altijd in hoog aanzien is
geweest. Het gastrecht was met name de oude Semitische en Aziatische volken
alsook de Grieken heilig (volgens het getuigenis van Julius Caesar en Tacitus trouwens eveneens de Germanen). De gast genoot de
volle bescherming van zijn gastheer, ook al was hij diens vijand. Zowel in ;’’nt TeNaCH [Oude Testament] alsook in h>dxh
tyrb
B’rit haChadasha
[Nieuwe Testament] vinden wij voorbeelden hiervan: “Indien uw vijand honger heeft, geef hem
brood te eten, indien hij dorst heeft, geef hem water te drinken; want dan
hoopt gij vurige kolen op zijn hoofd, en de Eeuwige zal het u vergelden.” (yl>m Mish’lei [Spreuken] 25:21-22) en
dienovereenkomstig: “Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten; indien
hij dorst heeft, geef hem te drinken, want zo zult gij vurige kolen op zijn
hoofd hopen.” (,yymvr Romiyim [Romeinen] 12:20). De gast,
en met name een reiziger of een vluchteling, werd gezien als een medemens, die
bijzonder mocht rekenen op de loyaliteit van de gastheer, omdat hij alleen
stond, zonder steun van stam of volk, en slechts een beroep kon doen op zijn verwantschap
als mens. Het niet verlenen van het gastrecht werd dus gezien als een grove
minachting van de medemens, zeg maar in huidige termen: een schending van de
mensenrechten! Ongastvrij gedrag werd daarom zwaar gestraft en ook het opzeggen
van een eenmaal aanvaarde gastvrijheid was strafbaar. Het weigeren of schenden van de gastvrijheid, om welke reden dan ook,
was en is een gruwel in de ogen van de Eeuwige, de G’d van Israël, en de
zware straffen die zowel ,vdc S’dom [Sodom] en hrmi Amora [Gomorra] alsook ,yrjm Mitzrayim [Egypte] troffen, waren
derhalve op de eerste plaats dus hieraan te wijten, zoals ;lmh
hml> Sh’lomo haMelech [koning Salomo] in het apocriefe bijbelboek hmkx Choch’ma [Wijsheid] 19:13-17 heeft
geschreven: “Ook
kwam de straf over de zondaars door tekenen, die met machtige bliksemstralen
geschiedden; want het was recht, dat zij dit leden om hun boosheid, dewijl zij de gasten kwalijk onthaald
hadden. En sommigen, toen er kwamen, die nergens heen wisten, namen ze niet
aan; en sommigen dwongen de gasten, die hun goedgedaan hadden, tot dienst. En
dit niet alleen, maar er zal ook nog een andere straf over hen komen, omdat zij
de vreemden zo onvriendelijk onthaalden. Sommigen nu plaagden met grote smarten
degenen, die zij met vreugde aangenomen hadden, en mede stadsrechten hadden
laten genieten; maar zij werden ook met blindheid geslagen, gelijk genen voor
de deur des rechtvaardigen, met zulk ene dikke duisternis overvallen werden,
dat een iegelijk den weg naar zijne deur zocht”. De hier geciteerde tekst is uit de Luther-vertaling. In de
modernere vertaling uit 1975 van het Nederlands Bijbelgenootschap staat het zo:
“Ook kwamen de straffen niet over de
zondaars zonder voorafgaande tekenen van geweldige bliksemslagen, want terecht
leden zij om hun eigen boosheden, omdat zij een felle haat tegen vreemdelingen
aan de dag hadden gelegd. Want mensen van Sodom namen, toen er onbekenden
waren, ze niet op, maar de Egyptenaren hebben weldoende gasten tot slaven
gemaakt. En dat niet alleen: met de eersten zal afgerekend worden omdat zij de
vreemdelingen vijandig ontvingen, maar met de laatsten omdat zij met feestelijkheden
hen, die al in hun rechten deelden, ontvingen en ze daarna met vreselijke
arbeid afbeulden. Zij werden dan ook met blindheid geslagen, zoals die anderen
bij de deur van de rechtvaardige, toen een ieder, door een gapende duisternis
omgeven, de weg naar diens deur zocht”. Nu kunt u wel zeggen, dat de zware straf van de Eeuwige voor het
ongastvrije gedrag slechts in een apocrief bijbelboek wordt genoemd, dat
niet door alle kerken wordt erkend. De zélfde strekking komen wij echter ook in
één van de kanonieke bijbelboeken tegen, namelijk in vhyttm Matit’yahu [Matthéüs]
10:14-15, waarin Yeshua haMashiach hierop zinspeelt, wanneer Hij Zijn ,ydmlt Tal’midim [discipelen]
uitlegt, hoe zij moeten reageren als zij niet gastvrij worden ontvangen: “En indien iemand u niet ontvangt of uw
woorden niet hoort, verlaat dat huis of die stad en schudt het stof uwer voeten
af. Voorwaar, Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker
zijn in de dag des oordeels dan voor die stad!” - Het zijn juist deze
laatste woorden in vers 15, die Zijn gevoelens het meest blootleggen ten aanzien
van ongastvrijheid en afwijzing van G’ds Woord:
.tazh ryil r>am
hrmiv ,dc /ral up>mh ,vy hyhy lqn ,kl dygm yna ,nma
Om’nam Ani magid
lachem naqel yih’ye Yom haMish’pat l’Eretz S’dom v’Amora me’asher la’ir hazot!
Shabat-maaltijd
Terwijl de zondag voor veel christenen de dag bij
uitstek is om vooral aandacht aan het eigen
gezin te besteden, ligt bij de Joden (messiasbelijdend of niet) tijdens de tb> Shabat [Sabbat] de nadruk op het uitnodigen van gasten.
De Shabat begint in elk gezin immers met een
huissamenkomst en leidt daarmee de heiligende rust van deze 7e dag
in. En voor een samenkomst worden altijd gasten welkom geheten, niet voor een
kopje koffie met een koekje, maar voor een feestmaal,
want deze maaltijd, een tafel met gasten is tegelijk een xbzm Miz’beach, een heilige altaar voor de
Eeuwige! Yeshua heeft ons immers geleerd dat
alles wat wij voor de geringste van Zijn broeders hebben gedaan, wij voor Hem
hebben gedaan. Het streven om zo veel mogelijk gasten te hebben op Shabat heeft in het Jodendom vanouds een sterk
sociologisch aksent: hoe meer gasten hoe beter. In het Nederlands zou je kunnen
zeggen: hoe meer zielen, hoe meer vreugde! Als je helemaal geen gasten hebt
omdat je niemand wil uitnodigen, dan ben je een “Schlemiel”,
dan deug je niet, want je bent dan ongastvrij en dus gierig! Als je Joods bent,
maar nooit gasten uitnodigt voor een maaltijd, en vooral op Shabat, plaats je jezelf buiten de gemeenschap.
Gastvrijheid, in het Jiddisch “Hachnuses Oirech”
genoemd, (,yxrva=tcnkh haCh’nasat Or’chim = het ontvangen van gasten)
is immers een hvjm Mitz’va, een g’ddelijke opdracht, een religieuze
plicht. Het hoort zo! Ook aan Yeshua zelf werd
telkens en in allerlei kringen gastvrijheid bewezen. Eén van de vele
voorbeelden hiervan is: “En het geschiedde,
toen Hij op Shabat in het huis van één der
hoofden van de P’rushim [Farizeeën] kwam om
brood te eten, dat zij nauwkeurig acht op Hem sloegen.” (Lucas 14:1).
Natuurlijk at Hij daar niet alleen brood, maar het wordt in de NBG-vertaling
nadrukkelijk genoemd omdat de twee broden een
centrale plaats innemen bij de Shabatmaaltijd. De reden dat men twee broden gebruikt, is omdat
in de Tora
staat dat in de woestijn voor twee dagen manna werd verzameld voor vrijdag en
voor Shabat (zie
tvm> Sh’mot [Exodus] 16). De twee broden doen dus denken aan de
dubbele portie manna van boven en van onderen ingewikkeld als het ware in een
laagje dauw dat het manna vers hield gedurende de Shabat. De broden zijn
daarom geplaatst op een zilveren bord en omwikkeld door een geborduurde doek.
De Groot Nieuws Bijbel noemt de broden helemaal niet, maar hier wordt de nadruk
gelegd op het feit, dat Yeshua op Shabat gastvrij werd ontvangen voor het eten, en notabene door
één van Zijn tegenstanders: “Op een
sabbat ging Jezus bij één van de leiders van de Farizeeën eten”. Dus ook de
P’rushim [Farizeeën] hielden zich nauwkeurig aan het Bijbelse principe om óók
hun tegenstanders het volle gastrecht te verlenen! Hier kan menige christen nog
wat van leren, omdat men tegenwoordig (mede uit onwetendheid over de Bijbelse
opvattingen hieromtrent) zelfs tegenover vrienden en medechristenen nogal
terughoudend is voor wat betreft de gastvrijheid, laat staan tegenover mensen
die men niet mag!
Een
gebod der liefde
De Heilige, wiens Naam geprezen wordt, heeft tegen Moshe [Mozes] gezegd: “Gij zult de Eeuwige, uw G’d, liefhebben met geheel uw hart en met
geheel uw ziel en met geheel uw kracht!” (,yrbd Devarim [Deuteronomium] 6:5).
Eveneens heeft Hij gezegd, dat gij uw naaste zult liefhebben als uzelf (arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 19:18). Wat
hebben deze twee teksten uit de hrvt Tora met het onderwerp
gastvrijheid te maken, en wat hebben ze met elkaar te maken? Yeshua zelf geeft ons in vhyttm Matit’yahu [Matthéüs]
22:34-40 hierop het
antwoord: “Toen
de P’rushim
[Farizeeën] gehoord hadden, dat Hij de Tzaduqim [Sadduceeën] tot zwijgen had gebracht, kwamen zij bijeen,
en één van hen, een wetgeleerde, vroeg, om Hem te verzoeken: Rabbi, wat is het grote
gebod in de Tora?
Hij zeide tot hem: Gij zult de Eeuwige, uw G’d, liefhebben met geheel uw hart
en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste
gebod. Het tweede, daaraan gelijk,
is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee Mitz’vot [geboden] hangt de
ganse Tora en
de profeten.” Als je dus je naaste écht
liefhebt, dan heb je ook de Eeuwige lief, en andersom! Dàt is het dus, waar
àlles om draait! De liefde! In 1 Korinthiërs 13 kunnen we lezen, dat de liefde
het belangrijkste is van alles. Je kunt nog zo g’dsdienstig zijn en over alle
gaven van >dqh xvr Ruach haQodesh [de Heilige
Geest] beschikken, maar als je de liefde niet hebt, heeft het voor G’d geen
enkele waarde. Laten we dit goed tot ons doordringen! Yeshua heeft alle 613 Mitz’vot [geboden] uit
de Tora samengevat in
dit ene: de liefde! Sha’ul [Paulus] schrijft dit ook in zijn brief aan de Galaten: “Want gij zijt geroepen, broeders, om vrij
te zijn; gebruikt echter die vrijheid niet als een aanleiding voor het vlees,
maar dient elkander door de liefde. Want de gehele Tora is in één woord
vervuld, in dit: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.” (,yyulg Galatiyim [Galaten]
5:13-14). Ook Ya’aqov [Jacobus] schrijft in zijn brief hetzelfde: “Indien gij echter de koninklijke wet
vervult naar het schriftwoord: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf, dan
doet gij wel.” (bqiy Ya’aqov [Jacobus] 2:8). Volgens de
rabbijnse uitleg wordt de liefde tot de naaste zichtbaar gemaakt door: a) ,yxrva=tcnkh haCh’nasat
Or’chim [gastvrijheid], b) hqdj Tz’daqa [liefdadigheid]
en c) ,ylvx rvqyb Biqur Cholim [ziekenbezoek].
Je kunt het ook anders zeggen: a) je naaste gastvrij ontvangen, b) je naaste
geven wat hij nodig heeft en c) je naaste bezoeken wanneer hij je nodig heeft!
En nogmaals, alles wat je voor je naaste doet, dat doe je voor Yeshua - of juist
niet! De keuze is aan jou! De bekende tekst uit vhyttm Matit’yahu [Matthéüs]
25:31-46 moeten wij derhalve dan ook in het licht van de bovengenoemde punten haCh’nasat
Or’chim, Tz’daqa en Biqur Cholim lezen: “Wanneer dan Ben haAdam [de Zoon des
mensen] komt in Zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats
nemen op de troon Zijner heerlijkheid. En al de volken zullen voor Hem
verzameld worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, zoals de herder de
schapen scheidt van de bokken, en Hij zal de schapen zetten aan Zijn rechterhand
en de bokken aan Zijn linkerhand. Dan zal de Koning tot hen, die aan Zijn
rechterhand zijn, zeggen: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft het Koninkrijk,
dat u bereid is van de grondlegging der wereld af. Want Ik heb honger geleden
en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te
drinken gegeven, Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest (Groot Nieuws
Bijbel: “u verleende Mij onderdak”; Het Boek: “u hebt Mij in uw huis uitgenodigd”), naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij
hebt Mij bezocht; Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot Mij gekomen.
Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Here, wanneer hebben wij
U hongerig gezien en hebben wij U gevoed, of dorstig en hebben wij U te drinken
gegeven? Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en hebben U gehuisvest, of
naakt, en hebben U gekleed? Wanneer hebben wij U ziek of in de gevangenis
gezien en zijn tot U gekomen? En de Koning zal hun antwoorden en zeggen:
Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan een van deze Mijn minste broeders
hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan. Dan zal Hij ook tot hen, die aan Zijn linkerhand
zijn, zeggen: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat
voor de duivel en zijn engelen bereid is. Want Ik heb honger geleden en gij
hebt Mij niet te eten gegeven, Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij niet te
drinken gegeven; Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij niet gehuisvest
(Het Boek: “u wilde Mij niet in huis
opnemen”), naakt en gij hebt Mij niet
gekleed, ziek en in de gevangenis en gij hebt Mij niet bezocht. Dan zullen ook
zij Hem antwoorden en zeggen: Here, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of
dorstig, of als vreemdeling, of naakt of ziek, of in de gevangenis, en hebben
wij U niet gediend? Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u,
in zoverre gij dit aan een van deze minsten niet gedaan hebt, hebt gij het ook
aan Mij niet gedaan. En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de
rechtvaardigen naar het eeuwige leven.”
Gehoorzaamheid
Het is duidelijk, dat Yeshua ons hier niet
zal oordelen op grond van ons geloof, want wie
niet gelooft is reeds veroordeeld!
Het is dus een misvatting om te veronderstellen dat met de schapen de gelovigen
en met de bokken de ongelovigen zouden zijn bedoeld. Yeshua heeft het hier
namelijk helemaal niet over ongelovigen. Neen, zowel de schapen alsóók de
bokken zijn gelovigen! Zij maken immers beiden deel uit van dezelfde kudde, de
gemeente! Als wij derhalve de woorden van Yeshua nog eens kritisch overlezen, komen wij
tot de conclusie, dat Hij hier de bokken, die Hij ‘vervloekten’ noemt, niet
naar het eeuwige vuur stuurt omdat zij niet in Hem geloven, maar omdat zij
ongastvrij, gierig en onbewogen waren tegenover hun naasten! Ya’aqov [Jacobus] zegt
in dit verband dan ook zeer terecht: “Gij
ziet, dat een mens gerechtvaardigd wordt uit werken en niet slechts uit
geloof.” (bqiy Ya’aqov [Jacobus] 2:24). Liefde tot onze
naaste, die het tweede grote gebod is, is de vervulling van de Tora en een
voortreffelijke toebereiding voor abh ,lvi Olam Haba, de wereld der eeuwige liefde.
Wij moeten van deze liefde doen blijken door onze bereidwilligheid om goed te
doen en met onze naaste te delen: “Wat
baat het, mijn broeders, of iemand al beweert geloof te hebben, als hij geen
werken heeft? Kan dat geloof hem behouden? Stel, dat een broeder of zuster
gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel, en iemand uwer zegt tot hen:
Gaat heen in vrede, houdt u warm en eet goed, zonder hen echter van het nodige
voor het lichaam te voorzien, wat baat dit? Zo is het ook met het geloof:
indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood.”
(bqiy Ya’aqov [Jacobus] 2:14-17). In de manier hoe wij met onze
medemensen omgaan laten we in principe zien of we wel of niet van Yeshua houden. Als Hij
terugkomt, zal Hij iedereen vergelden naar zijn werk. In ]vyzx Chizayon [Openbaring]
14:13 staat dat de werken ons volgen. Liefde blijkt uit werken en als die er
niet zijn, dan is dat hèt bewijs dat er ook geen liefde is, noch voor de
Eeuwige noch voor de naaste. Dat wordt zwaar aangerekend. De schapen droegen
het hart op de rechte plaats. Zij bewezen barmhartigheid en gastvrijheid jegens
hun naaste, zoals Yeshua hun barmhartigheid had bewezen, en zij zullen dan ook van Zijn
gastvrijheid mogen genieten in het Koninkrijk van G’d. De bokken daarentegen
moeten ervaren dat geloof zonder werken een dood geloof is. Hun naaste liet hen
koud. Waar de liefdedaad niet is, blijft niets anders over dan de eeuwige
straf. Voor de verwijzing naar het eeuwige vuur zal naast het ongeloof derhalve
ook liefdeloosheid, zelfzucht en het niet verlenen van gastvrijheid
uiteindelijk mede beslissend zijn!
G’ddelijke
opdracht
Om deze reden wordt er steeds weer de
nadruk op gelegd om naast andere goede eigenschappen vooral ook gastvrij te
zijn: “Want een opziener moet
onberispelijk zijn als een beheerder van het huis G’ds, niet aanmatigend, niet
driftig, niet aan de wijn verslaafd, niet opvliegend, niet op oneerlijke winst
uit, maar gastvrij, met liefde voor
wat goed is, bezadigd, rechtvaardig, vroom, ingetogen, zich houdende aan het
betrouwbare woord naar de leer, zodat hij ook in staat is te vermanen op grond
van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen.” (Titus 1:7-9). “Een opziener dan moet zijn onbesproken, de
man van één vrouw, nuchter, bezadigd, beschaafd, gastvrij, bekwaam om te onderwijzen...” (1 Timotheüs 3:2). - “Als weduwe kome in aanmerking iemand niet
beneden de zestig jaren, die de vrouw geweest is van één man; inzake goede
werken moet van haar getuigd kunnen worden, dat zij kinderen grootgebracht
heeft, gastvrijheid bewezen, de
voeten der heiligen gewassen, verdrukten ondersteund en alle goed werk
behartigd heeft.” (1 Timotheüs 5:9-10). Vooral in 1 Petrus 4:8-9 wordt de
kern van deze bijbelstudie duidelijk onder woorden gebracht: “Hebt bovenal bestendige liefde jegens elkander,
want de liefde bedekt tal van zonden. Weest gastvrij jegens elkander, zonder morren.” In Het Boek staat: “Wees gastvrij voor elkaar, zonder te
mopperen.” De wijze waarop de gastvrijheid beoefent dient te worden, is op
een vriendelijke, aangename manier, zonder klagen of mopperen over de kosten en
moeite. Het hoeft ook niet altijd een uitgebreid feestmaal te zijn, maar het
moet wel uit je hart komen want: “Beter
een schotel groente, waar liefde heerst, dan een gemeste os en haat daarbij”
en “Beter een droge bete en rust daarbij,
dan een huis vol vleesspijzen, waarover men twist.” (yl>m Mish’lei [Spreuken] 15:17 en 17:1). De Bijbel leert ons echter ook, dat wij geen misbruik
mogen maken van de gastvrijheid: “Zet uw
voet niet te dikwijls in het huis van uw naaste, opdat hij niet genoeg van u
krijge en u hate.” (yl>m Mish’lei [Spreuken] 25:17). Het is
dus niet de bedoeling om iemand de deur plat te lopen, maar het getuigt van een
innige liefdeband als men elkaar over en weer uitnodigt, dus als de gastvrijheid
wederzijds is. Voor het houden van de juiste koers is
een sterke band van de gelovigen onderling nodig, en daarvoor is de eerste
vereiste de liefde. De opdracht elkaar lief te hebben was één van de laatste
geboden die Yeshua ons naliet. Die liefde is de liefde waarvan Hij de bron en
het voorbeeld is, de gevende liefde. Liefde die gastvrij, open en spontaan is.
Yeshua
zelf is de Gast
Opnieuw zegt Yeshua: “Wie u ontvangt, ontvangt Mij en wie Mij
ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft.” (vhyttm Matit’yahu [Matthéüs]
10:40). Wij behoren dus elke gast zodanig te ontvangen alsof het de Eeuwige
zelf is, maar de Bijbel laat ons ook situaties zien, waarin Yeshua inderdaad zelf
de gast was, maar men Hem niet heeft herkend. Een bekend voorbeeld hiervoor is
in Lucas 24:28-30 het verhaal van de Emmaüsgangers: “En zij naderden het dorp, waar zij heengingen, en Hij deed, alsof Hij
verder zou gaan. En zij drongen sterk bij Hem aan en zeiden: Blijf bij ons,
want het is tegen de avond en de dag is reeds gedaald. En Hij ging binnen om
bij hen te blijven. En het geschiedde, toen Hij met hen aanlag, dat Hij het
brood nam, de zegen uitsprak, het brak en hun toereikte. En hun ogen werden
geopend en zij herkenden Hem; en Hij verdween uit hun midden.” Zij kwamen
dus naar het dorp, waar zij de nacht zouden doorbrengen. Yeshua deed echter
alsof Hij verder zou gaan. Hij zei niet dat Hij verder wilde lopen, maar hun
scheen het alsof Hij verder ging en niet bereid was om met hen in het huis van
hun vriend te overnachten, daar dit voor een vreemdeling niet betaamde, tenzij
hij uitgenodigd werd. En nu verzochten zij Hem dringend bij hen te blijven. Hij
zou ook verder gegaan zijn, indien zij Hem niet dringend verzocht hadden bij
hen te blijven, zodat hier van generlei veinzerij sprake kon zijn. Aarzelen en
niet onmiddellijk (gretig) ingaan op een uitnodiging, maar wachten op een nadrukkelijke
herhaling van die uitnodiging is een typisch Joodse houding! Als een vreemdeling
terughoudend is, weet iedereen wat dit betekent, namelijk dat hij zich niet aan
de onbeleefdheid wil schuldig maken van zich in te dringen in uw huis, of op te
dringen aan uw gezelschap. Maar als u duidelijk laat blijken, dat u begeert hem
als gast te hebben en hem niet slechts uit beleefdheid hebt uitgenodigd, maar
het echt meent, dan zal hij uw uitnodiging wel aannemen; en dat was het wat Yeshua deed, toen Hij
zich hield alsof Hij verder wilde gaan. Zij, die wensen dat Yeshua met hen zal
blijven, moeten Hem hiertoe uitnodigen, en er bij Hem op aandringen. Hoewel Hij
dikwijls gevonden wordt van hen, die Hem niet zochten, kunnen toch alleen zij,
die zoeken, er zeker van zijn te zullen vinden; en als Hij Zich van ons schijnt
te onttrekken, dan is dit slechts om ons dringend smeken uit te lokken, dat Hij
bij ons blijven zal; evenals dit hier ook geschiedde. Zij verzochten Hem
nadrukkelijk om niet verder te gaan; beiden hebben zij Hem aangegrepen, met
vriendelijk geweld, zeggende: “Blijf met
ons.” Zij, die het genot en het nut hebben ervaren van gemeenschap met Yeshua, kunnen niet
anders dan begerig zijn om nog meer van Zijn bijzijn te genieten en Hem smeken,
niet slechts om de hele dag met hen te wandelen, maar om ‘s nachts bij hen te
blijven. Als de dag gedaald en het avond geworden is, dan beginnen wij er aan
te denken om ons ter rust te begeven, en dan is het voegzaam om ons oog te
vestigen op Yeshua haMashiach, en Hem te bidden bij ons te blijven en zich aan ons te
openbaren. Hij gaf toe aan hun aandrang en ging naar binnen om bij hen te
blijven. Zo bereidwillig is Yeshua om nog verder onderricht en vertroosting te geven aan hen,
die gebruik maken van hetgeen zij reeds hebben ontvangen. Hij heeft beloofd,
dat indien iemand de deur opendoet, om Hem welkom te heten, Hij tot hem zal
inkomen om samen maaltijd met hem te houden (]vyzx Chizayon [Openbaring]
3:20). Ik kom hier later nog op terug.
Avraham
In TeNaCH [het Oude
Testament] wordt Avraham Avinu [onze vader
Abraham] als toonbeeld van gastvrijheid beschreven: “En de Heilige, wiens Naam geprezen wordt,
verscheen aan hem bij de terebinten van Mam’re, terwijl hij op het heetst van de dag in de ingang der
tent zat. En hij sloeg zijn ogen op en zag, en zie, drie mannen stonden bij
hem; toen hij hen zag, liep hij hun uit de ingang van zijn tent tegemoet, en
boog zich ter aarde; en hij zeide: Mijn heer, indien ik uw genegenheid gewonnen
heb, ga dan niet aan uw knecht voorbij. Laat toch een weinig water gehaald
worden, en wast uw voeten en vlijt u neder onder de boom; dan wil ik een bete
broods gaan halen, opdat gij uw hart versterkt; daarna kunt gij verder trekken;
daartoe zijt gij immers langs uw knecht getrokken? En zij zeiden: Doe zoals gij
gesproken hebt. Toen spoedde Avraham zich naar de tent tot Sara, en zeide: Haast u! Drie maten fijn meel! Kneed het en
bereid koeken! En Avraham liep naar de runderen, nam een kalf, mals en goed, en gaf
het aan een knecht, en deze haastte zich om het te bereiden. Ook nam hij boter
en melk en het kalf, dat hij bereid had, en zette het hun voor; en hij stond
onder de boom bij hen, terwijl zij aten.” (ty>arb B’reshit
[Genesis] 18:1-8). “Toen vertrokken
die mannen vandaar en zagen in de richting van S’dom [Sodom]; en Avraham ging met hen mede om hen uitgeleide te doen.” (vers 16). Dit
stukje toont aan hoe Avraham vreemdelingen verwachtte en hoe rijk zijn verwachting werd
beantwoord. Hij zat bij de ingang van zijn tent, toen de dag heet werd, niet
zozeer om te rusten of zich te vermaken, als wel om de gelegenheid te hebben om
goed te doen, door vreemdelingen en reizigers gastvrij te onthalen. De Eeuwige
heeft immers beloofd, hen te bezoeken, die op Hem wachten. Toen Avraham daar dus zat,
zag hij drie mannen tot zich komen. Deze drie mannen waren echter drie
geestelijke, hemelse wezens, die nu menselijke gedaanten hadden aangenomen, ten
einde voor Avraham zichtbaar te zijn. Sommigen denken dat alle drie geschapen
engelen waren. Volgens Rav Chama, de zoon van Rav Chanina zouden het Micha’el [Michaël], Gav’ri’el [Gabriël] en Rafa’el [Rafaël]
geweest zijn (Talmud-traktaat aiyjm abb Bava Metzia 86b). Anderen
echter zeggen, dat één van hun G’d zelf was, die Avraham van de overigen
onderscheidde, want Hij wordt in de Hebreeuwse grondtekst meerdere keren hvhy genoemd. Dat is de onuitspreekbare heilige Naam van de Eeuwige.
De messiasbelijdende Joden ondersteunen dit standpunt, maar vullen het aan met
het argument dat indien G’d in menselijke gedaante tot Avraham is gekomen, dit
alleen maar in persoon van Yeshua plaatsgevonden kan hebben. Men beroept zich voor deze
stelling op een uitspraak van niemand minder dan Yeshua zelf: “Uw vader Avraham heeft zich erop verheugd Mijn dag te zien en hij heeft die
gezien en zich verblijd. De Joden dan zeiden tot Hem: Gij zijt nog geen vijftig
jaar en hebt Gij Avraham gezien? Yeshua zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Eer Avraham was, ben ik.” (]nxvy Yochanan [Johannes]
8:56-57). Wij lezen hier hoe Avraham aan Hem gastvrijheid bewees, en hoe vriendelijk zijn
gastvrijheid werd aangenomen. Yeshua neemt bijzonder nota van het zeer gulle, liefderijke
welkom, dat Avraham deze vreemdelingen heeft aangeboden. Hij was voorkomend en
beleefd jegens hen. Zijn leeftijd vergetende, of niet achtende liep hij hun
vriendelijk tegemoet, en boog zich voor hen ter aarde, hoewel hij nog niets van
hen wist, dan dat zij achtenswaardige mannen schenen te zijn. Hij hield zeer
dringend bij hen aan dat zij bij hem zouden verwijlen, en beschouwde het als
een grote gunst, die zij er hem mede bewijzen zouden. Het betaamt hun, die door
G’d met overvloed gezegend werden, om ruim en vrijgevig te zijn in hun
gastvrijheid naar hun vermogen, niet als plichtpleging, maar uit hartelijke
vriendelijkheid; het moet ons een genot zijn vriendelijkheid te betonen, want
G’d heeft de blijmoedige gever lief. Avraham en zijn vrouw Sara waren zeer
ijverig en oplettend om hun gasten te bedienen met het beste dat zij hadden. Sara zelf kookt en
bakt, Avraham loopt heen om het kalf te halen en brengt melk en boter
naar buiten, en acht het niet beneden zich om aan tafel te dienen, om te tonen
hoe hartelijk welkom zijn gasten hem waren. Yeshua zelf heeft ons geleerd in nederige
liefde elkanders voeten te wassen. Zij, die zich aldus vernederen, zullen
verhoogd worden. Avrahams geloof openbaarde zich hier in goede werken, en zo moet
ook ons geloof zich openbaren, want anders is het dood (bqiy Ya’aqov [Jacobus]
2:21-26). De vader der gelovigen stond bekend om zijn liefdadigheid en
edelmoedigheid, en zijn goede manier van zijn huis te bestieren, en zo moeten
ook wij van hem leren goed te doen en gastvrij te zijn.
Engelen
De schrijver van de Hebreeënbrief doelde duidelijk
op bovenstaande gebeurtenis en maakt hiervan gebruik
om de gastvrijheid aan te moedigen. In de Luther-Vertaling van ,yrbi Iv’rim [Hebreeën] 13:2 lezen wij: “Vergeet niet
gastvrij te zijn; want daardoor hebben sommigen zonder het te weten Engelen
geherbergd”. En toch was Avraham niet de enige, die nietsvermoedend engelen
gastvrij heeft onthaald. Nadat ze van Avraham vertrokken,
gingen de begeleiders van Yeshua namelijk bij Avraham’s neef Lot
naar S’dom [Sodom]: “En de twee engelen kwamen in de avond te S’dom. Lot zat in de poort van S’dom en toen Lot hen zag, stond hij op,
ging hun tegemoet, boog zich neder met het aangezicht ter aarde, en zeide: Zie
toch, mijne heren, neemt toch uw intrek in het huis van uw knecht, overnacht en
wast uw voeten, dan kunt gij morgenvroeg uws weegs gaan. Maar zij zeiden: Neen,
wij zullen de nacht op het plein doorbrengen. Toen hij echter sterk bij hen
aandrong, namen zij bij hem hun intrek en kwamen in zijn huis; en hij bereidde
voor hen een maaltijd en bakte ongezuurde koeken, en zij aten. Zij hadden zich
nog niet ter ruste gelegd, of de mannen der stad, de mannen van S’dom, omsingelden het
huis, van jong tot oud, de gehele bevolking, niemand uitgezonderd, en zij
riepen Lot toe
en zeiden tot hem: Waar zijn de mannen, die vannacht bij u gekomen zijn? Breng
hen bij ons buiten, opdat wij met hen gemeenschap hebben. Toen ging Lot tot hen naar buiten,
maar de deur sloot hij achter zich toe, en hij zeide: Mijn broeders, doet toch
geen kwaad; zie toch, ik heb twee dochters, die met geen man gemeenschap hebben
gehad; laat mij die tot u naar buiten brengen en doet met haar, zoals goed is in uw
ogen; alleen doet deze mannen niets, want daartoe zijn zij onder de schaduw van
mijn dak gekomen. Maar zij zeiden: Ga op zij! En zij zeiden: Deze ene is als
vreemdeling komen vertoeven om ons geheel en al de wet te stellen! Nu zullen
wij u meer kwaad doen dan hun. En zij drongen sterk op tegen de man, tegen Lot, en kwamen naderbij om de deur open te breken. Maar die
mannen staken hun hand uit, trokken Lot tot zich naar binnen en sloten de deur. En de lieden, die
bij de ingang van het huis waren, sloegen zij met blindheid, van klein tot
groot, zodat zij zich tevergeefs moeite gaven om de ingang te vinden.” (ty>arb B’reshit [Genesis] 19:1-11). Lot zat dus in de
poort te S’dom [Sodom] in de avond. Toen zijn stadgenoten waarschijnlijk aan het
drinken en brassen waren, zat hij daar eenzaam en alleen, uitziende naar een
gelegenheid om goed te doen, net als Avraham deed. Hij was uiterst eerbiedig
jegens deze mannen, waarvan hij niet kon weten dat het engelen waren. Hij boog
zich ter aarde toen hij hen zag. Hij was gastvrij, hartelijk en ruim in zijn uitnodiging
en zijn onthaal. Dringend nodigde hij deze vreemdelingen in zijn huis, zette
hen het beste voor van hetgeen hij had, en gaf hun alle mogelijke blijken en
bewijzen van zijn oprechtheid; want toen de engelen, om te zien of zijn
uitnodiging van harte gemeend was, haar eerst weigerden aan te nemen, hetgeen
zoals ik reeds eerder heb aangehaald, nog steeds een typisch Joods gebruik der
bescheidenheid is, zonder dat dit in het minst aan waarheid of oprechtheid
tekort doet, heeft hun weigering hem slechts des te dringender doen aanhouden.
Hij hield bij hen zeer aan, deels omdat hij volstrekt niet wilde, dat zij zich
aan de ongerieflijkheid en het gevaar zouden blootstellen van op straat te
overnachten in S’dom, en deels omdat hij zeer naar hun gezelschap en gesprek
verlangde. Twee zulke eerlijke gezichten had hij in S’dom nog niet
gezien. Zij, die in een slechte plaats wonen moeten het gezelschap op prijs
stellen van hen, die de Eeuwige toebehoren. Toen de engelen zijn uitnodiging
hadden aangenomen, heeft hij hen gul onthaald, hij richtte een maaltijd voor
hen aan, en vond die goed besteed aan zulke gasten. G’dvruchtige mensen behoren
ook edelmoedige, milddadige mensen te zijn. Gasten ontvangen: maakt u daar nog
echt werk van? Gaat u zich voor uw gasten nog echt uitsloven? Lot deed dat, net
als Avraham, met grote
overgave en toewijding. Toen hij twee onbekende mannen de stadspoort zag
naderen, kwam hij meteen in actie. Anderen zouden liever eerst de kat uit de
boom kijken. Weet je soms van tevoren wie je in huis haalt? Ook Lot wist dit
absoluut niet. Weet u soms wèl precies hoe engelen er believen uit te zien? Zij
kunnen er voor speciale acties weleens heel menselijk uitzien. Dat is het
getuigenis ook nú nog van verschillende christenen! De engelen stelden Lot’s gastvrijheid eerst wel op de proef.
Wat hebben zij aan een louter formele uitnodiging, puur uit beleefdheid, zoals
die vandaag de dag ook onder christenen helaas heel gewoon schijnen te zijn?
Maar gelukkig, Lot stelde zich echt in dienst van zijn naaste, wíe dat ook was, en
ook had hij een zware werkdag achter de rug. Als Lot zijn welgemeende uitnodiging
heel dringend herhaalde, was hij waarschijnlijk ook gedreven door diepe
bezorgdheid over wat deze mannen in S’dom zou kunnen overkomen. Hij hield echt van
zijn naasten! Zelfs zijn door en door slechte stadsgenoten sprak hij nog aan
met: “mijn broeders”. Hij probeerde
hun kwaad te overwinnen door het goede van zijn voorstel: “Mannen, kiest toch iets anders, iets beters!”. U hebt daar
waarschijnlijk zo uw eigen gedachten over. Kan een vader zó over zijn dochters
beschikken? Faat dat niet te ver? U kunt zich alleen met een groot
invoelingsvermogen in de situatie van Lot verplaatsen. Naar oosterse zede had hij
de volle zeggenschap over zijn dochters zolang die nog niet getrouwd waren. Hij
moest zich voor G’d en zijn geweten verantwoorden in een acute noodsituatie.
Ten diepste stond hij met zijn eigen leven en dat van zijn hele gezin borg voor
zijn gasten. Ik noemde het al: gastvrijheid hield in bijbelse tijden en
oosterse culturen méér in dan alleen maar een kopje koffie met een koekje!
Gastvrijheid betekende naast het verstrekken van ‘een natje en een droogje’ ook
bescherming, asielrecht voor de gast. Lot was aangenaam verrast: zijn
beschermelingen blijken opeens zijn beschermers te zijn! Uit dit verhaal kunnen
wij een belangrijke les leren: Als wij onze naasten zegenen, dan zullen ook wij
van de Eeuwige overvloedig zegen ontvangen! Onze Avraham en Lot ervoeren het
verlenen van liefdevolle gastvrijheid als een vanzelfsprekendheid voor iemand
die met G’d wandelt. Zouden ook wij, die Yeshua kennen en Hem echt als Heer en Heiland
hebben aangenomen, ons eveneens zo durven opstellen?
Zie
Ik sta aan de deur en Ik klop...
Tenslotte wil ik in dit verband nog wijzen op de
reeds eerder zijdelings aangehaalde tekst uit (]vyzx Chizayon [Openbaring]
3:20), waarin Yeshua zegt: “Zie, Ik sta aan de
deur en Ik klop. Indien iemand naar Mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal
bij hem binnenkomen en maaltijd met hem
houden en hij met Mij.” Door predikanten in bijna alle kerken wordt
deze tekst sinds mensen heugen geciteerd in verband met bekering. Daar is niets
mis mee, want daar is hij ook voor bedoeld. Maar uit bovenstaande verhalen
blijkt, dat die tekst uit Openbaring ook wel eens heel letterlijk genomen kan
worden. Stel, dat Yeshua in welke gedaante dan ook (en u weet nu dat dit wel degelijk kan
gebeuren!) voor uw deur staat en aanbelt, zou u dan na het lezen van deze
bijbelstudie nog steeds het lef hebben om tegen de persoon, die zo ‘onbeleefd’
is om rond etenstijd aan te bellen, zeggen: “Zou
je alsjeblieft over een uurtje terug willen komen, want wij zitten nu aan
tafel”, wat hier in Holland gebruikelijk is, of zou u Hem binnenlaten, een
bordje extra op tafel zetten en Hem laten aanschuiven, zoals Hij het van u
verwacht? Om het antwoord hierop voor u makkelijker te maken wil ik nogmaals de
woorden van Yeshua herhalen: “Voorwaar, Ik zeg
u, in zoverre gij dit aan één van deze Mijn minste broeders hebt gedaan, hebt
gij het Mij gedaan...” - Eet
smakelijk!
Werner Stauder